Overslaan en naar de inhoud gaan

SCRIPTIE - Wilskrachtige mannen en medelijdende vrouwen

"WILSKRACHTIGE MANNEN EN MEDELIJDENDE VROUWEN": EEN DISCOURSANALYSE VAN VLAAMS-NATIONALISTISCHE GENDERCONSTRUCTIES IN HERDENKINGEN VAN DE EERSTE WERELDOORLOG OP DE IJZERBEDEVAARTEN
Lith Lefranc
Master in de Geschiedenis - Universiteit Gent 

WOI: EEN VERHAAL VAN "WILSKRACHTIGE MANNEN EN MEDELIJDENDE VROUWEN”?

De officiële herdenking van de Eerste Wereldoorlog ging in België van start op 4 augustus 2014, honderd jaar na de Duitse inval. Toch worden we al meer dan een jaar overladen met stapels boeken over de Eerste Wereldoorlog, affiches van musea die hun erfgoed voor de gelegenheid in een “Eerste Wereldoorlog-jasje” hebben gestoken, uitnodigingen voor musicals, reclame voor TV-series, tot zelfs interactieve websites en apps. Historica Sophie De Schaepdrijver benoemt dit fenomeen met de term “klaproosexplosie”: waar je ook gaat of kijkt, de Eerste Wereldoorlog is vandaag alomtegenwoordig.

In dit artikel pleit ik voor meer nuance en meerduidigheid in deze hedendaagse herdenkingsinitiatieven. Deze stelling onderbouw ik met enkele inzichten uit mijn masterscriptie, waarin ik de rol van gender in de Vlaams-nationalistische oorlogsherdenkingen tijdens het interbellum en de Tweede Wereldoorlog onderzocht.

De nationalistische strijd om de oorlogsherinnering tijdens het interbellum
Meteen na de Wapenstilstand van 1918 namen verschillende groepen nabestaanden in België het initiatief tot het herdenken van hun gesneuvelde geliefden, makkers of familieleden. Ik spreek hier oververschillende groepen, omdat de herinnering aan de oorlog van meet af aan een arena van sociale en politieke conflicten was. Een van deze groepen bestond uit Vlaams-nationalistische oud-strijders die in 1920 de allereerste IJzerbedevaart organiseerden. Op deze jaarlijkse herdenkingsplechtigheid stond het lijden en het offer van de Vlaamse frontsoldaten centraal. Een “Vlaamschhatende” Belgische staat kreeg de rol van vijand en bron van alle kwaad. De IJzerbedevaarders zetten zich expliciet af van de officiële Belgische oorlogsherdenkingen.

De normerende en groepsvormende kracht van herinneren
De bezoekers van de IJzerbedevaarten werden steeds talrijker tijdens het interbellum. Volgens de organisatoren haalde het bezoekersaantal in 1932 een historisch hoogtepunt van 250.000 hoofden. Vanuit hun Vlaams-nationalistische ideologie vereenzelvigden de organisatoren deze herinneringsgemeenschap met “de Vlaamse natie”. Op de IJzerbedevaarten werden de banden van deze natie levendig gehouden via het jaarlijks samenkomen en herdenken van het (vermeende) gedeelde leed en trauma.

Op deze herdenkingsplechtigheid werd de eigen versie van het verleden naar voor geschoven als de enige juiste. Het verleden was als een wit doek waarop de herinneringsgemeenschap haar eigen normen en waarden projecteerde. Deze manifesteerden zich niet alleen inhoudelijk, in toespraken en liederen, maar ook vormelijk, in bepaalde rituelen, kledij, rolpatronen voor mannen en vrouwen,…. De reproductie van bepaalde ideeën en machtsverhoudingen via deze talige of rituele handelingen benoemen we met de term “discours”. Een herinneringsdiscours krijgt steeds vorm in een politieke en sociale context. Dit heeft als gevolg dat herinneren zelf ook een geschiedenis kent die kan onderzocht worden.

Een gegenderde en sociaal gediversifieerde oorlogsherinnering
De nationale identiteit die op de herdenkingsplechtigheid in de praktijk werd gebracht was zelf doordrongen van complexe gender-, klasse- en andere machtsverhoudingen die iemands positie binnen de Vlaamse natie en daarbuiten bepaalden. De Vlaams-nationalistische herinnering propageerde een geïdealiseerd beeld van een eenvoudige Vlaamse IJzersoldaat die zijn leven gaf voor God en Vlaanderen. Vrouwen werden alleen herinnerd in de vorm van moeders of echtgenotes die rouwden om het verlies van hun dierbaren.

Deze tweedeling liep door tot in de herinneringspraktijk. In het publiek werd een onderscheid gemaakt tussen “wilskrachtige mannen en medelijdende vrouwen, geestdriftige jongelingen en nadenkende ouderlingen, arbeiders en geleerden.” Dit citaat toont dat niet enkel gender, maar eveneens klasse en leeftijd de aanwezige massa doorkruisten en opdeelden. Deze verschillende sociale groepen kregen bovendien verschillende rollen op de herdenkingsplechtigheid. Sociaal verschil werd niet bekritiseerd, maar juist geïdealiseerd als een intrinsiek kenmerk van de “Vlaamse natie”. De herdenking was zo een veruiterlijking van de corporatistische en sociaal conservatieve  ideologie van de Vlaams-nationalisten.

Gender was niet alleen werkzaam als product, maar ook als producent van macht. Mannen werden expliciet geassocieerd met daad en geweld, in tegenstelling tot vrouwen die in verband werden gebracht met emotie en rouw. Op een hoger niveau legde de Vlaams-nationalistische herinneringsgemeenschap de schuld van het lijden van de Vlamingen bij de Belgische staat. Belgisch-patriottische mannen werden zo vereenzelvigd met geweld en agressiviteit. Het lijden en pacifisme van de Vlaamse vrouwen, en bij extensie de Vlaamse natie, werden in contrast hiermee geïdealiseerd. Op die manier kantte de Vlaams-nationalistische oorlogsherinnering zich niet enkel tegen de Belgische herdenking van de oorlog, maar eveneens tegen wat zij zelf invulden als de Belgische mannelijkheid. De “Nooit meer oorlog!”-leuze die centraal stond op de IJzerbedevaarten is hiervan een voorbeeld. Deze was niet louter pacifistisch geïnspireerd maar diende ook als een wapen in de strijd tegen de Belgische staat.

De hedendaagse klaproosexplosie anders bekeken
Bovenstaande voorbeelden tonen aan dat herinneren allerminst een neutraal gebeuren is. Dit gaat ook op voor hedendaagse herdenkingsinitiatieven. Verschillende critici van het herinneringsbeleid van de Vlaamse overheid (o.m. Bruno De Wever, Sophie De Schaepdrijver) hekelden de commercialisering van het oorlogstoerisme en de beperkte betrokkenheid van historici. Daarnaast ontwarden ze een specifieke politiek-ideologische boodschap. Vandaag staat opnieuw de pacifistische “Nooit meer oorlog!”-gedachte centraal die de Eerste Wereldoorlog afschildert als een zinloze oorlog. Hiermee wordt voorbij gegaan aan het feit dat de oorlog voor de soldaten toen niet zinloos was. Velen sneuvelden zelfs vanuit een rotsvaste Belgisch-patriottische overtuiging. Daarnaast doet ook de sterke focus op Vlaanderen de historische waarheid onrecht aan: de Eerste Wereldoorlog was geen Vlaamse strijd!

Bovendien wordt vandaag een van de grootste conflicten die ons land ooit heeft meegemaakt, verengt tot het mannelijk front. Hiermee blijft de idee dat oorlog hoofdzakelijk een “mannenzaak” was, waarin vrouwen louter passieve rollen opnamen, doorleven. De toenmalige stereotiepen en idealen voor mannen en vrouwen worden door een gebrek aan contextualisering indirect opnieuw gemobiliseerd en als eeuwig voorgesteld.

De hedendaagse herinneringshausse heeft nood aan een analyse die rekening houdt met de complexiteit van nationalisme en patriottisme, oorlog en gender, herinneren en geschiedenis. Hiermee is niet gezegd dat de herinnering op zich van tafel moet geveegd worden. Maar wel dat er aandacht nodig is voor de diversiteit ervan en voor de manier waarop het tot stand komt.  

LEES DE VOLLEDIGE SCRIPTIE VAN LITH LEFRANC HIER