Overslaan en naar de inhoud gaan

SCRIPTIE - Verser le sang: la blessure chez Cendrars

VERSER LE SANG: LA BLESSURE CHEZ CENDRARS
Evelyne Van der Niepen
Bachelor in de Taal-en Letterkunde - Universiteit Antwerpen

Schrijver zonder hand: Blaise Cendrars

Wanneer de oorlog uitbreekt in augustus 1914 voelt de Zwitserse schrijver en dichter Blaise Cendrars – een pseudoniem voor Frédéric Sauser – een sterke drang om zich als vrijwilliger aan te melden bij het Légion Etrangère. Deze afdeling van het Franse leger trekt sympathisanten aan van allerlei nationaliteiten; met hen gaat Cendrars ten strijde tegen het Duitse leger. In september 1915 wordt Cendrars getroffen: zijn rechterarm moet tot aan de elleboog worden geamputeerd. Voor een rechtshandige schrijver vormt dit een enorm obstakel, vooral omdat hij na zijn verwonding begint te schrijven over zijn ervaringen aan het front. Vanaf dat moment maakt hij moeizaam gebruik van zijn linkerhand, maar dat weerhoudt hem niet van het schrijven.  

“Het was een mooi bloedbad”

Cendrars’ leven aan het front is een terugkerend thema in zijn aansluitende literaire carrière. Met teksten als J’ai tuéJ’ai saignéLa main coupée, etc. neemt hij een plaats in binnen het veld van de oorlogsliteratuur. Hoewel Cendrars’ naam niet hoog in de lijst staat van schrijvers die bekend staan voor hun oorlogsromans, is zijn werk toch een belangrijke en uitzonderlijke bron in de context van de Groote Oorlog. Door de verwondingen van de soldaten te beschrijven, slaagt hij erin de verschrikking van het slagveld op te roepen. Bovendien worden enkele van zijn teksten gekenmerkt door een opvallende eigenschap: de soldaten – waaronder Cendrars zelf, die we als verteller van de verhalen kunnen beschouwen – zijn niet alleen slachtoffers van het geweld aan het front, ze nemen ook actief deel aan het doden van de vijand. En laat dat nu net datgene zijn waarom Cendrars’ werk zo uitzonderlijk is.

“Ik ben vergeten te zeggen dat die doden slakken in hun oogkassen hadden.”

De Eerste Wereldoorlog is niet het eerste conflict dat soldaten aanzet om hun ervaringen op papier te zetten, maar het is wel de eerste keer dat er op zo’n grote schaal wordt geschreven over de impact van het geweld. Die impact – emotioneel, maar vooral fysiek – komt het meest frappant tot uiting in de beschrijving van verwondingen. Veel auteurs hebben de neiging om gruwelijke taferelen in kaart te brengen, vaak met de bedoeling om bepaalde indrukken of gevoelens op te roepen bij de lezers. Soms willen de auteurs tonen hoe verschrikkelijk de omstandigheden aan het front zijn om het pacifisme te promoten. Andere keren dienen de beschrijvingen van verwondingen net om te benadrukken dat de soldaten die zo’n gruwel doorstaan als helden moeten worden beschouwd, en zo wordt onrechtstreeks de strijdlust aangewakkerd. Tenslotte worden de soldaten aan de hand van hun verwondingen omgevormd tot martelaars, die hun krachten – en meer dan ooit hun leven – geven voor het vaderland.

Blaise Cendrars geeft de indruk zeer nuchter te schrijven over zijn eigen verwonding. Hoewel de schok en de pijn heftig moeten geweest zijn, en Cendrars daar ook naar verwijst, wil hij zichzelf niet als martelaar of als held opvoeren. Overigens rept hij met geen woord over het moment waarop hij geraakt wordt aan zijn arm. De auteur vertelt over de ogenblikken net voor die gebeurtenis, alsook over de periode van herstel na zijn amputatie, bijvoorbeeld in J’ai saigné (“Ik heb gebloed”). Maar La main coupée (“De afgesneden hand”), ondanks de keuze van de titel, verwijst nauwelijks naar Cendrars’ verwonding op het slagveld zelf. Sommige dingen zijn gewoon niet bespreekbaar.

“Neemt u mij voor een journalist? Ik vuur kogels af.”

Als het over onbespreekbare dingen gaat, stelt de oorlogsliteratuur nog een ander probleem. Omdat de soldaten vooral als slachtoffer worden voorgesteld, is het gemakkelijk te vergeten dat zij ook zelf verantwoordelijk waren voor het toedienen van verwondingen. Dit blijkt vaak een taboe te zijn voor auteurs van oorlogsromans. Het feit dat de auteurs toen ze zelf soldaat waren, hebben moeten doden of anderen hebben zien doden, vormt in sommige gevallen een te groot trauma om het te kunnen bekennen op papier. In plaats van expliciete scènes waarin een soldaat een andere doodt, wordt er vaak geopteerd voor indirecte verwijzingen naar het geweld, bijvoorbeeld door het gebruik van wapens extra in de verf te zetten. Bovendien zou het beeld van de soldaat als slachtoffer of als held teniet worden gedaan als blijkt dat ze zelf schuld hebben aan iemands dood (ook al is dat in de context van de oorlog de vijand). In de sporadische gevallen dat een soldaat toch een andere doodt, proberen de auteurs de daad te plaatsen in verzachtende omstandigheden.

Als één van de weinigen in een lange traditie van oorlogsliteratuur geeft Blaise Cendrars zonder enige schroom toe dat hij verantwoordelijk is voor het doden van Duitse soldaten. Met een tekst als J’ai tué(“Ik heb gedood”) maakt hij komaf met de stilte die heerst rond dit onderwerp. De auteur creëert enkele opvallende scènes waarin zowel hij als zijn collega-soldaten van het Franse Vreemdelingenlegioen tekeer gaan tegen de vijand. Cendrars deinst dus niet terug voor het gevaar de sympathie van zijn lezers te verliezen. Dit zorgt ervoor dat zijn werken een eerlijk, maar vooral aangrijpend beeld van de oorlog en van het leven aan het front schetsen. In de context van de 100everjaardag van het conflict is het dus zeker gepast om deze eigenzinnige auteur van de Groote Oorlog terug uit de onbekendheid te halen.

LEES DE VOLLEDIGE SCRIPTIE VAN EVELYNE VAN DER NIEPEN HIER