Overslaan en naar de inhoud gaan

SCRIPTIE - LA GUEULE CASSEE DU ROMAN AU FILM

LA GUEULE CASSEE DU ROMAN AU FILM. ANALYSE DE LA CHAMBRE DES OFFICIERS 
Anne Scheijnen
Bachelor in de Taal- en Letterkunde Frans - Universiteit Antwerpen 

« La guerre continue dans ta tête, mais c’est fini ! » [1]

De ‘gueule cassée’ van roman naar film in La chambre des officiers

Landschappen gevuld met littekens van kraters, prikkeldraad en verdord gras. Moedige, maar


vermoeide soldaten in vochtige loopgraven. Verbeten gevechten, die vaak op voorhand al verloren zijn. Het zijn maar enkele van de beelden die de Eerste Wereldoorlog bij ons oproept. Minder zichtbaar dan deze verschrikkingen zijn echter de gewonden: in de hospitalen zijn honger, koude en modder immers voorgoed verleden tijd. De minst zichtbare patiënten in de ziekenhuizen zijn waarschijnlijk de ‘gueules cassées’. Deze ‘gebroken bekken’ liepen verwondingen op aan het gezicht en raakten zo vaak voor het leven verminkt. In La chambre des officiers neemt Marc Dugain de lezer mee in het verhaal van gueule cassée Adrien Fournier, die op zijn eerste (en tevens laatste) oorlogsmissie slachtoffer wordt van een bombardement. Wanneer hij weer wakker wordt, is zijn gehemelte, samen met een deel van zijn neus, tong en bovenlip, verdwenen.

Gebaseerd op de getuigenissen van zijn grootvader en diens kameraden heeft Dugain een oorlogsroman geschreven die op vele vlakken bijzonder is. De enige gevechten die hier worden getoond, zijn de worstelingen die de gewonden met zichzelf leveren. Bovendien is de gueule cassée vaak de grote afwezige, soms hooguit een veredelde figurant in de klassieke oorlogsroman, terwijl hij hier de hoofdrol speelt. Een laatste bijzonderheid is het ambivalente statuut van de tekst. Dugain is zelf geen oorlogsslachtoffer, maar toch bevat zijn werk waargebeurde feiten uit het leven van onder meer zijn grootvader. La chambre des officiers is dus geen getuigenis in de strikte zin van het woord, maar eerder een getuigenis van een getuigenis, een ‘semi-getuigenis’.

Onlosmakelijk verbonden met de gueule cassée is het thema van de blik en van de spiegel. Soms wordt het slachtoffer gewoon op straat met een geschokte of gegeneerde blik geconfronteerd, maar ook het eigen spiegelbeeld kan hevige emoties teweegbrengen. De verfilming van de roman, geregisseerd door François Dupeyron, kampt op dit punt met een probleem dat onbestaande is op papier: wat moet en / of kan expliciet getoond worden op het scherm, wat niet? Welke gruwel is aanschouwelijk te maken, welke niet? Bij het vergelijken van de twee media, roman en film, is de belangrijkste vraag dus niet of de filmadaptatie trouw is aan de brontekst, maar hoe en waarom de regisseur elementen uit de roman heeft overgenomen en aangepast.

De aanpassingen van de regisseur blijken na onderzoek een verschil in boodschap met zich mee te dragen: de film is namelijk pacifistischer ingesteld dan de roman. Adrien draagt zijn lot in het boek relatief stoïcijns, zonder zich af te vragen waarom en of zijn offer noodzakelijk was. In de film daarentegen wordt Adrien nogal eens overmand door wanhoop of onbegrip. Dit verschil is historisch te verklaren: vandaag wordt de Eerste Wereldoorlog gezien als een absurde slachtpartij. De redenen van het conflict zijn de moderne lezer of kijker onbekend; de gevolgen, miljoenen doden en nog meer gewonden, disproportioneel. Tijdens en net na de oorlog begreep men er daarentegen wel de zin van: de burgers zagen de oorlog als een noodzakelijk kwaad. Dugain heeft met andere woorden een neutrale positie ten opzichte van de oorlog, die hij waarschijnlijk heeft overgenomen van zijn grootvader; Dupeyron vertegenwoordigt daarentegen de hedendaagse visie.

Het verschil in boodschap valt te illustreren aan de hand van twee grote lijnen. Ten eerste gaat Adrien op zoek naar een nieuwe identiteit omdat zijn oude, samen met zijn gezicht, verwoest is. De manier waarop hij dit doet, brengt significante verschillen tussen boek en film aan het licht, onder meer door de uitwerking van het zelfmoordmotief: de reden van onder meer Adriens (mislukte) wanhoopsdaad krijgt immers een radicaal andere invulling in de twee media. Ten tweede is er de weergave van de gueules cassées, die onvermijdelijk verschillend is in beide media, en bijdraagt aan het verschil in boodschap: hoe beschrijft de auteur de gueules cassées, en hoe brengt de regisseur hun ongelukkige lot in beeld? Het vergelijken van enkele scènes maakt dit verschil tastbaar. Zo is het bezoek van een minister aan de gewonden in de roman een neutrale gebeurtenis, waar Adrien zelfs een zekere trots aan overhoudt, terwijl we in de film een dikke, zweterige man zien die de verminkten niet eens durft aankijken. Het verschil kon nauwelijks groter zijn.

Ondanks de verschillen in boodschap eindigt zowel de roman als de film uiteindelijk met een sprankje hoop: Adrien slaagt erin zijn identitaire amputatie te overstijgen en kan op die manier een plaats in de maatschappij heroveren. De film eindigt dan ook met een hardop lachende Adrien, die zonder mondlapje de straat durft opgaan, maar ook de roman kent een hoopvol einde. Één van Adriens kamergenoten en kameraden, Penanster, is tijdens een ongelukkig ongeval om het leven gekomen. De Tweede Wereldoorlog is ondertussen voorbij en heeft ook een generatie jonge mannen opgeëist. Enkele overlevenden van de Tweede Wereldoorlog zijn aanwezig op de begrafenis van de oude Penanster. De conclusie van Adrien en een derde vriend, Weil, is desalniettemin vervuld van hoop; de laatste lijnen van de roman luiden als volgt:

[O]n vit entrer dans l’encadrement du porche des hommes jeunes. Certains avaient des pansements autour de la tête. D’autres portaient leurs brûlures à l’air libre. […] Ils avançaient, intimidés par les anciens. Il y avait beaucoup de tristesse dans leurs regards. Je me serrai contre Weil et lui demandai :

- Qu’est-ce qu’on va faire, maintenant ?

Il eut un long silence avant de répondre :

- On va leur apprendre la gaieté. [2]


[1] François Dupeyron, La chambre des officiers, ARP-France 2 Cinéma, 2001, 90’47’’.

[2] Marc Dugain, La chambre des officiers, Paris, Éditions Jean-Claude Lattès, 1998, p. 172.

LEES DE VOLLEDIGE SCRIPTIE VAN ANNE SCHEIJNEN HIER