Overslaan en naar de inhoud gaan

SCRIPTIE - Jeugddelinquentie tijdens WO I in onbezet België

DE SCHULDIGE ONSCHULDIGE KINDEREN. JEUGDDELINQUENTIE TIJDENS DE EERSTE WERELDOORLOG IN ONBEZET BELGIË. 
Anouk Bruneel 
Master in Geschiedenis - UGent 

In haar scriptie schetste Anouk Bruneel, via een bespreking van het fenomeen jeugddelinquentie, een beeld van de kinderen en hun dagelijks leven tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het werd duidelijk dat de oorlog niet alleen inwerkte op het wel en wee van de bevolking in het door het Duitse Rijk bezette landsdeel, maar dit ook het geval was voor de bevolking achter het front. Bovendien werd de toenmalige visie op kinderen en hun handelingen van naderbij bekeken.

De scriptie bestudeerde niet alle kinderen, maar enkel diegenen die voor de kinderrechtbanken van de gerechtelijke arrondissementen Ieper en Veurne moesten verschijnen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Niet iedereen kon een beroep doen op de diensten van de kinderrechtbanken aangezien specifieke leeftijdsgrenzen werden vastgelegd, afhankelijk van het delict. Bovendien werden niet alle minderjarigen die een strafbaar delict pleegden, voor de kinderrechter geleid. Een ganse procedure ging hieraan vooraf. Eerst moest de politie kennis hebben van het delict. Dit was niet zo vanzelfsprekend aangezien in verschillende gevallen werd geopteerd voor informele conflictregeling. Vervolgens kon de politie beslissen om een proces-verbaal op te maken. Indien nodig geacht, werd het proces-verbaal overgemaakt aan het Openbaar Ministerie of het parket om vervolgens bij de kinderrechtbank terecht te komen. Dit betekent dat wij slechts kennis hebben van een miniem aandeel van het totaal aantal delicten gepleegd door kinderen.

Onder criminaliteit worden handelingen begrepen die door het strafwetboek als strafbaar worden omgeschreven. Een goed begrip van de wet van 15 mei 1912 op de kinderbescherming was dus van uiterst groot belang voor onze studie. Deze wet richtte een nieuw orgaan op, namelijk de kinderrechtbank. Zij was verantwoordelijk voor quasi al het bronmateriaal dat in deze scriptie werd aangewend en kan dus onmogelijk buiten beschouwing worden gelaten. Bovendien kunnen de kinderrechtbanken van Ieper en Veurne in principe worden gezien als het bindmiddel tussen alle afzonderlijke verhalen en levenslopen van de minderjarigen die in deze scriptie werden behandeld.

Bruneel legt zich in haar toe op de opstandige, ongehoorzame en ondeugende kinderen die in de wet van 1912 werden voorzien. De kinderrechter –die zich eerder profileerde als kinderspecialist dan als rechter- poogde elke minderjarige afzonderlijk te evalueren door hierbij de aandacht te richten op de opvoeding, de karaktereigenschappen, het leefmilieu, de fysieke gesteldheid,… Het was de bedoeling dat bij het oordeel van de kinderrechter het delict meer op de achtergrond kwam te liggen ten voordele van de gesteldheid van de individuele dader.

In de scriptie stond centraal dat niet alle strafbaar gestelde acties in de wet, ook effectief door de gehele gemeenschap werden beschouwd als crimineel. Dit werd aangeduid met de term ‘sociale criminaliteit’. Het maakt duidelijk dat criminaliteit een erg persoons- en contextgebonden begrip is dat talrijke invullingen heeft. Bijgevolg werden in deze scriptie alle mogelijke vormen van criminaliteit besproken; van de delicten die vandaag nauwelijks worden beschouwd als normafwijkend tot de meer extremere vormen.

Het eerste luik van de scriptie formuleerde de invloed van de Eerste Wereldoorlog op de jeugddelinquentie, de kinderen en hun dagelijkse bezigheden. Wat precies kon worden begrepen onder criminaliteit was sterk onderhevig aan de invoering van een hele resem nieuwe wetten. Op deze manier werden een aantal feiten als strafbaar ingesteld zoals het bezitten van voorwerpen die kunnen worden gelinkt aan spionage en landverraad of het niet naleven van de nieuw ingestelde verkoopsvoorwaarden. Er werd nagegaan welke vormen van criminaliteit opvallend vaker voorkwamen in oorlogstijd en welke eerder op de achtergrond kwamen te liggen. Maar ook de veranderingen in de dagelijkse routine van de minderjarigen en de perceptie ten opzichte van het oorlogsgebeuren, werd aangekaart.

Het tweede luik van de scriptie ging ondermeer na welke delicten werden beschouwd als aanvaardbaar en welke als afwijkend. Dit werd nagetrokken bij verschillende groepen personen zoals de minderjarigen die voor de kinderrechters verschenen, hun ouders, de kinderrechters zelf, wetsdienaars, kerkelijke dienstbekleders,… Ieder van hen hanteerde een bepaalde tolerantiedrempel om af te bakenen welk gedrag door de beugel kon. Daarnaast gingen we op zoek naar een antwoord op de vraag of er sprake was van een zeker vorm van welvaartscriminaliteit; in die zin dat heel wat minderjarigen werden veroordeeld voor het stelen van goederen die niet konden worden beschouwd als overlevingsproducten.

Voorts werd in het tweede luik van deze scriptie nagegaan of bepaalde kinderen meer kans hadden om gerechtelijke gevolgen te krijgen voor hun daden dan anderen. Hierbij werd ingespeeld op de kwestie door wie en waarom een minderjarige delinquent werd gezien als een slachtoffer van zijn leefmilieu, persoonlijkheid of persoonskenmerken dan wel als een dader. 

In de literatuur stelt Bruneel vast dat de mate van maatschappelijke integratie bepalend kon zijn voor het al dan niet overgaan tot een klacht. Dit werd voor onbezet België nagegaan aan de hand van de reputatie van de aangeklaagde minderjarigen.

Een groep waarvan verondersteld werd dat ze niet zo goed in de lokale gemeenschap was geïntegreerd, waren de vluchtelingen. Deze konden dan ook niet ontbreken in de studie. Zij bleken opvallend weinig te verschijnen in de dossiers van de kinderrechtbanken. Waarschijnlijk is dit te wijten aan een zekere vorm van onverschilligheid van de bevolking tegenover de gedragingen van deze groep.