Overslaan en naar de inhoud gaan

SCRIPTIE - EEN KLAPROZENEXPLOSIE.

Niemand kon er de voorbije maanden omheen: 2014-2018 staat in teken van de herdenking van 100 Jaar Wereldoorlog I. Een klaprozenexplosie, zo vat Birgit Leenknegt, master in de publieksgeschiedenis, de vele berichten rond 100 Jaar Groote Oorlog treffend samen. De herdenking lokt heel wat kritiek uit: niet alleen door de kwantiteit aan WOI-gerelateerde informatie die op ons afkomt, maar ook over de kwaliteit, of de invulling, van de herdenking – niet in het minst in Vlaanderen.   

Historici als Laurence van Ypersele, Mélanie Bost en Nico Wouters namen de Vlaamse herdenking van WOI op de korrel. Dat de Vlaamse overheid geen historici inschakelde vormt voor critici het bewijs dat het herdenkingsproject geen wetenschappelijke doelen vooropstelt. De herdenking dient vooral politieke en economische belangen, zo leiden de critici af uit het feit dat de honderdste herdenking van de Groote Oorlog een zaak is van het Ministerie van Toerisme en Binnenlands bestuur én het Ministerie van Cultuur geen sleutelpositie bekleedt. Kortom: de herdenking van de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen is té Vlaams, te sterk geënt op toeristische en economische belangen en té weinig wetenschappelijk.

In haar scriptie bespreekt Birgit Leenknegt, master in de publieksgeschiedenis, de grote kritieken op de herdenking van 100 Jaar Groote Oorlog in Vlaanderen. Ze tracht 3 vragen genuanceerd te beantwoorden:

Is de Vlaamse oorlogsherdenking té politiek beladen en té Vlaamsgetint?

Leenknegt: “Stellen dat de herdenking te Vlaams is, gaat op twee vlakken een brug te ver. Eén: dat de gemeenschappen hun eigen herdenkingsproject hebben is eigen aan de staatsstructuur van ons land. De staatshervormingen gaven de gewesten en gemeenschappen binnen België een grote mate van zelfbestuur. De beleidsdomeinen waarop een beroep kan gedaan worden bij een herdenking, zoals cultuur,  toerisme, onderwijs, … zitten bijna uitsluitend bij de Vlaamse overheid. Ten tweede moet ook een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen het praktijkveld en de politieke middens. De Vlaamse overheid stelt een grote som financiële middelen te beschikking voor de verwezenlijking van herdenkingsprojecten. Maar de instellingen of individuen die de projecten uitvoeren, hebben het laatste woord. Deze instellingen en individuen kunnen opperen voor een Vlaams-nationalistische insteek, maar voor eigen belang is dit niet wenselijk. Deze hebben immers baat bij een omarming van zowel de Vlaamse, Britse als Belgische (, Europese en wereldwijde) herdenkingstraditie van de Eerste Wereldoorlog. Enkel op deze manier kan je een publiek met verschillende tradities aantrekken.”

“Toch heeft de  Vlaamse overheid enkele fouten begaan. Een nauwere samenwerking met de Waalse en Belgische overheid was zeker wenselijk. Bost heeft immers gelijk als ze stelt dat toen het Duitse leger op 4 augustus 1914 België binnendrong, het werd tegengehouden door het Belgische, en niet het Vlaamse leger. De politieke situatie van ons land, 100 jaar geleden is niet de enige reden waarom voor nauwere samenwerking tussen de gewesten en gemeenschappen wordt geopperd. De Vlaamse overheid had dit ook moeten doen om te vrijwaren dat de hedendaagse communautaire strijd een invloed zou hebben op een herdenking van de oorlog. Het is duidelijk dat de Vlaamse Overheid de herdenking gebruikt om het merk ‘Vlaanderen’ naambekendheid te geven en toerisme te creëren. Maar om daaruit te stellen dat de herdenking vereenzelvigd wordt met het idee van een onafhankelijk Vlaanderen is appels met peren vergelijken.”

Wordt een belangrijkere rol toegekend aan het economische dan aan het inhoudelijke aspect van de herdenking van de Eerste Wereldoorlog?

Leenknegt: “Dat is moeilijk te zeggen. Cultuur en toerisme gaan hand in hand. Het ene kan niet zonder het andere. Daarbij merken we dat vermarkting een onoverkomelijk begrip is bij herdenkingen. Toch mag die commercie niet te ver gedreven worden. Het economische aspect moet zich aanpassen aan de invulling van de herdenking, en niet omgekeerd. Met andere woorden, de vermarkting mag pas op de laatste plaats komen; inhoud hoort centraal te staan. Toerisme Vlaanderen lijkt te gehoorzamen aan die regel. Speciaal voor de 100ste verjaardag van de Eerste Wereldoorlog ontwierp het het begrip ‘toerisme+’, waarbij de aandacht vooral gaat naar een ethische en meerstemmige herdenking. Het blijft echter wachten tot na 2018 om te zien of deze mooie woorden ook in de praktijk werden omgezet.”

Wat zijn de gevolgen voor het uitblijven van een historisch comité met sterke zeggingskracht? Betekent dit dat de producten van de herdenking gereduceerd moeten worden tot tweederangsproducten zonder historische meerwaarde?

Leenknegt: “Nee, groepen en individuen die projecten verwezenlijken beschikken meestal zelf over historische kennis en expertise. Bovendien kunnen projectmakers een beroep doen op de kritische reflecties van heel wat professionele organen. Voorbeelden van deze organen zijn het Projectsecretariaat 100 jaar Groote Oorlog, FARO, het ADVN en BIE.”

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De integrale scriptie van Birgit Leenknegt “Een klaprozenexplosie: analyse van de kritieken van historici op 100 Jaar Groote Oorlog in Vlaanderen, 2014-2018” (Universiteit van Amsterdam, 2013-2014) kan je hier raadplegen : http://www.scriptiebank.be/scriptie/een-klaprozenexplosie-analyse-van-de-kritieken-van-historici-op-100-jaar-groote-oorlog-vlaa